zaterdag 8 december 2018

Scherpe geestelijke visie

Het eerste hoofdstuk van Genesis vermeldt: “God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed” (Gen. 1:31). Moeten we de mens die God geschapen heeft niet als “zeer goed” zien, goed in een volkomen reine geestelijke betekenis - als levend in zijn schepper, God en niet in de stof? Werkelijk zien is ons vermogen om de mens en het heelal te zien zoals God ze geschapen heeft. Hoe kunnen we ons het vermogen om te zien dat wat het goddelijk Gemoed ons schenkt praktisch eigen maken? Door onze gedachten in Wetenschappelijke banen te leiden. In plaats van blindelings het valse getuigenis van het sterfelijk gemoed, het vermeende tegengestelde van het goddelijk Gemoed, voor werkelijk aan te nemen moeten wij de Adamdroom als was er leven in de stof krachtig ontkennen. Wanneer deze ontkenning gepaard gaat met een krachtige bevestiging dat de werkelijkheid van Gods schepping “zeer goed” is, bevrijdt dat ons gaandeweg van de achteruitgang die men gewoonlijk aan het stoffelijk gezichtsvermogen toeschrijft. Begrippen als bijziend en verziend gaan uit van de veronderstelling dat het gezichtsvermogen in de stof is en onderhevig aan de wetten van de optica. De Wetenschap echter leert ons juist het omgekeerde. God schenkt de mens heldere en scherpe geestelijke visie, die niets te maken heeft met menselijke begrippen als gezichtsveld, afstand en brandpunt. Het werkelijke gezichtsvermogen van de mens wordt dus nooit aan banden gelegd door de stof, of die nu dichtbij dan wel veraf is. Volmaakt en scherp zien is voor altijd het kenmerk van geestelijke, goddelijke mentale visie.

Geen opmerkingen: