vrijdag 21 maart 2014

Zachtmoedigheid en macht

Voor Jezus waren zachtmoedigheid en macht niet te scheiden. De macht waarop hij aanspraak maakte was namelijk niet zijn eigen macht, maar iets dat oneindig veel groter was. Daarom kon hij ook vol vertrouwen zeggen: “Ik kan van mijzelf niets doen” (Joh.5:30). Stel je dat eens voor. Bij alles wat hij tot stand bracht was er absoluut niets dat hij voor zichzelf persoonlijk opeiste. Omdat hij wist zoals hij dat uitdrukte: “de Vader die in mij blijft, die doet de werken” (Joh.14:10). De Vader die in hem bleef was de goddelijke Geest, God, die oneindige kracht en genezende macht dóór hem openbaarde. Hier maakte Jezus aanspraak op zijn geestelijke zelfheid, of Christus, welke altijd één is met de Vader. Hij onderkende dat goddelijk evenwicht tussen gevolg en oorzaak, die altijd één zijn. Zijn goddelijke aard of Christus was één met de Vader, zelfs vóór Abraham en ook na de hemelvaart. De Christus werd nooit geboren en nooit gekruisigd, ofschoon geboorte en kruisiging wel ervaren werden door de menselijke Jezus. Jezus begreep volkomen dat de Christus zijn ware natuur was, maar dat maakte geen scheiding tussen hem en de mensheid. Integendeel, het was juist de grondslag van zjn genezingswerk omdat het hem in staat stelde deze ware Christelijke natuur bij ieder mens te onderkennen en aan het licht te brengen. In het verwerpen van elke gedachte aan een eigen ik, en in de erkenning van de Christus als zijn echte natuur, zien we de zachtmoedigheid en  nederigheid van zijn macht en de macht van zijn zachtmoedigheid.

Geen opmerkingen: