dinsdag 28 januari 2014

Opzien

Het verhaal in het Evangelie van Marcus 8:22-26 over de genezing door Jezus van een blinde man, maakt duidelijk dat het vermogen om te zien een onvernietigbare eigenschap van Ziel is. Het verhaal gaat dat Jezus de blinde bij de hand nam en hem de stad uitleidde. Letterlijk genomen leidde Jezus deze man buiten Bethsaïda. Er zit echter meer aan vast. Zou  de diepere zin niet zijn dat Jezus door gebruik te maken van zijn geestelijke macht, de man weg leidde van het geloof dat hij in een stoffelijk lichaam leefde? In Marcus staat dat Jezus hem in zijn ogen spuugde en hem de handen oplegde. Toentertijd betekende spugen, net zoals nu, volkomen minachting. Dat Jezus in de mans ogen spuugde kon er dus op wijzen dat hij absoluut geen waarde hechtte aan het geloof, dat de stof invloed zou kunnen hebben op het gezichtsvermogen van de man. De macht die samenging met Jezus’ geestelijk waarnemen van de volmaaktheid van deze man, werd gebruikt om de situatie te genezen. Toen vroeg Jezus aan de man of hij al iets kon zien. De man antwoordde ‘de mensen lijken op wandelende bomen”. Jezus deed geen half werk, hij hielp de man verder. Hij legde opnieuw de handen op zijn ogen en deed hem “opzien”. Opzien, wijst dit er niet op dat de man door de werking van de Christus gedwongen werd het licht van Ziel, zijn door God geschonken geestelijk inzicht te gebruiken en op te zien? Dit had ogenblikkelijk resultaat. Het verslag eindigt: “en hij werd hersteld en zag ze allen, ver en klaar.”

Geen opmerkingen: