donderdag 16 januari 2014

Kinderkens

Aan Jezus vroeg men eens wie de grootste was in het Koninkrijk der hemelen. Hij antwoordde toen: “Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan” (Matt.18:3). Wordt gelijk de kinderkens. Wie is nederiger dan een klein kind? Toch brengt een kind zo’n groot vertrouwen, tederheid en vreugde tot uitdrukking. Jezus zei ook: ”Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet.” (Mark.10:14) Wie bedoelde hij dan met ‘mij’? Verwees hij daarmee naar de menselijke Jezus? Als dat zo was, zouden zijn woorden in deze tijd geen waarde meer hebben: dan golden zij alleen voor zijn eigen tijd. Maar hij heeft ook gezegd: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” (Matt.24:35)  Jezus en de Christus zijn onafscheidelijk, omdat de Christus de identiteit van Jezus is. Mevrouw Eddy legt dat zo uit: “De goddelijkheid van de Christus openbaarde zich in de menselijkheid van Jezus” (W&G 413). De Christus is even eeuwig als God. Het is een actieve geestelijke kracht in het menselijk bewustzijn. Wat bedoelde Jezus met zijn verwijzing naar kinderen? Ook hier sprak hij niet alleen over de kinderen van zijn eigen tijd. Toen hij zei: “Laat de kinderkens tot  mij komen, en verhindert ze niet”, zei hij eigenlijk: “Laat uw reinheid, uw onschuld, uw vertrouwen en uw vreugde tot de Christus komen.” Het kind dat wij naar de Christus toe moeten laten gaan, is ons ware, individuele wezen en wij moeten dat kind laten groeien door het te koesteren en lief te hebben totdat het “de grootte der volheid van Christus” (Ef.4:13) bereikt, Gods geestelijke volmaakte model van het menszijn.

Geen opmerkingen: