vrijdag 18 oktober 2013

Rechtspraak

Jezus kende God als de enige oorzaak of bron, hij wist dat werkelijke orde goddelijke orde is. Toen op zekere dag in de tempel een vrouw bij hem werd gebracht die op overspel betrapt was, doorbrak hij de uiterlijke schijn van de situatie. Openbaren en genezen was zijn doel. Hij veroordeelde de vrouw niet, waardoor haar schaamtegevoelens en zondebesef niet onnodig werden vergroot. Hij sprak slechts enkele woorden: “Wie van ulieden zonder zonde is, werpe het eerst de steen op haar”(Joh. 8:7). Jezus verdiepte zich niet in de stoffelijke oorzaken die de vrouw in deze situatie hadden gebracht en hij keurde het systeem van de menselijke rechtspraak niet af. Hij wist dat in de goddelijke orde hun leven vlekkeloos was. Eerst diende echter de zelfgenoegzaamheid van de beschuldigers te worden blootgelegd en ter verantwoording geroepen te worden. Het herstellen van orde in het leven van de vrouw en de praktische genezende rechtspraak waarmee haar beschuldigers werden geconfronteerd, waren duidelijk een uiting van verlicht denken. Jezus was geen ervaren jurist, geen socioloog en zelfs geen rabbi. Zijn onderscheidingsvermogen en wijsheid waren de uiterlijke bewijzen van een absolute overtuiging dat er één goddelijk Gemoed bestaat, dat orde voortbrengt en handhaaft. Hij wist dat dit Gemoed God was. Het feit dat hij de harmonie herstelde in zo’n geladen sfeer, laat zien hoe hij zijn begrip in zijn dagelijkse leven toepaste.

Geen opmerkingen: