woensdag 16 mei 2012

Openbaring


Het sterfelijk gemoed met zijn hypnotische suggesties, zijn pogingen om tegenwoordig kwaad te veranderen in toekomstig goed, begrijpt niet, dat het zelf onwerkelijk is en ontwaakt daarom niet uit zijn eigen begoochelingen. Mrs. Eddy legt dit uit op blz. 186 van Wetenschap en Gezondheid: “Het sterfelijk gemoed is onkundig van zichzelf, anders zou het zichzelf nooit kunnen bedriegen. Als het sterfelijk gemoed wist, hoe het beter kon zijn, zou het beter zijn. Aangezien het aan iets buiten zichzelf moet geloven, verheft het de stof als godheid ten troon. Het menselijk gemoed is van den beginne een afgodendienaar geweest en heeft altijd andere goden gehad en aan meer dan het ene Gemoed geloofd. Waar stervelingen zelfs het sterfelijk bestaan niet begrijpen, hoe onwetend moeten zij dan wel zijn omtrent het  alwetend Gemoed en Zijn scheppingen.” Toen Jakob uit zijn droom ontwaakte, was de begoocheling van God gescheiden te zijn, verbroken. De heerlijke waarheid van Gods onmiddellijke tegenwoordigheid drong plotseling tot hem door. Aan deze openbaring van de werkelijkheid sprak hij de volgende woorden (Gen. 28:16): “Gewis is de Heere aan deze plaats en ik heb het niet geweten.” Dit was een reusachtige stap van het oude mesmerisme van eigenliefde tot het bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van de goddelijke Liefde. Op dat punt van zijn reis van de zinnen naar Ziel moet Jakob gerealiseerd hebben dat de opperste goedheid van God altijd bereikbaar is.

Geen opmerkingen: