maandag 13 februari 2012

Processie


Toen Jezus en zijn volgelingen bij de stadspoort van het plaatsje Nain gekomen waren, kwamen zij de begrafenisstoet van de enige zoon van een weduwe tegen. Met zijn medelijden toonde Jezus niet de erkenning van het zinsbedrog van verlies en scheiding als werkelijk. Maar hij bracht de eeuwige Waarheid aan het licht, die geen dwaling kent, hij zag de mens zoals God hem kent, als de gelijkenis van het eeuwige Leven en van oneindige Liefde. Jezus begreep dat de treurende moeder nu een gevoel van eenzaamheid, het verlies van haar levensonderhoud en het smartelijk verlangen naar haar zoon zou ervaren. Deze beweringen van het sterfelijk gemoed bezitten geen macht  of werkelijkheid. De goddelijkheid van Christus werd door hem op menselijke wijze in welwillendheid en tederheid uitgedrukt toen hij tegen de moeder van de jongeman zei: “Ween niet.” Toen “raakte hij de baar aan [en] de dragers stonden stil.” De Christus-macht bracht de processie van sterfelijke geloofsels tot stilstand. Het Christus-inzicht in het eeuwige Leven doet de verkeerde gedachten, die altijd de processie van sterfelijke geloofsels in beweging zet, verdwijnen. Jezus sprak met zelfverzekerdheid toen hij zei: “Jongeling, ik zeg u,  sta op.” En hij riep hem in het leven terug en gaf hem aan zijn moeder, ontwaakt uit de slaap, uit de droom in de stof, dat de mens stoffelijk is, dat hij kan zondigen, lijden, ziek zijn en sterven. Als de goddelijke macht, alvermogend, alomtegenwoordig, als de tegenwoordigheid van de goddelijke Liefde, van het oneindig Gemoed, van het Beginsel wordt beseft, dan kan een volk of vele volken genezen van haat, vrees, wantrouwen, hebzucht en kwaadwilligheid en hen van de schijnmacht van een hypnotisch eigenzinnigheid en heerszucht bevrijden.

Geen opmerkingen: