vrijdag 10 februari 2012

Geheugen


Het is hoogst onwaarschijnlijk dat Jezus de herinnering aan de ontberingen in de woestijn, aan de vervolging van zijn eigen landgenoten en de ontrouw van zijn volgelingen bewaard zou hebben; of dat hij, na zijn opstanding, nog aan de wreedheid van de soldaten in de rechtszaal en zijn lijdensuur aan het kruis zou blijven denken. De sterfelijke zin zou het geheugen zowel voor vrolijke als voor treurige zaken willen gebruiken om daarmee de mensen in het verleden vast te houden en van het tegenwoordige af te houden. Het enige geheugen, waaraan Jezus vast hield, was ongetwijfeld dat, wat hem herinnerde aan zijn geestelijk wezen en zijn verwantschap met God. Hij zei tot zijn discipelen: “Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen.” Dan sprak hij nog van “de heerlijkheid, die ik bij U had, eer de wereld was.” Zijn enig doel was om de mensen uit hun slaap op te wekken, niet om hen aan de verschillende fasen van hun droom te herinneren. Zullen sommigen de treurspelen die voorbij zijn weer ten tonele voeren en nieuw leven inblazen? Of zullen zij, zoals Jezus zeker na zijn opstanding gedaan moet hebben,  verlossing en vrijmaking in gedachten hebben? Zullen zij in het besef van hun goddelijke oorsprong en in de verwachting van hun eigen opstanding begrijpen dat de schaduwen van het verleden zelfs voor geen moment dwars over de voorwaartse, opwaartse weg kunnen vallen? Hun keuze zal van beslissende invloed zijn op hun ononderbroken stijgen van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid, van een persoonlijk gevoel van zelfheid tot in het bewustzijn van hun geestelijk wezen.

Geen opmerkingen: