vrijdag 14 oktober 2011

Henoch

Ongeveer drie en dertig eeuwen voor het begin van de Christelijke jaartelling leefde er, zoals de Bijbel vertelt, een man, wiens levensreis in een korte maar veelzeggende zin als volgt wordt omschreven: Hij “wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.” In de zendbrief aan de Hebreeërs wordt ook over Henoch geschreven en bevestigd dat hij “is . . . weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien.” Dat Henoch “wandelde met God”, zó dacht en zich zó gedroeg, dat hij voortdurend en steeds meer bewust werd van Gods tegenwoordigheid en van zijn gemeenschap met God, maakt hem een voorbeeld, dat geestelijk besef in onze tegenwoordige ervaring mogelijk is. Het was zeker niet iets, dat door menselijke opvoeding of eindige ondervindingen was geleerd, maar iets, dat zozeer in tegenspraak was met de stoffelijke zinnen, dat deze tot zwijgen werden gebracht, naarmate hij dit besef verwierf. Om met God te hebben gewandeld en de demonstratie van eeuwig Leven te hebben doorgemaakt, moet Henoch iets gezien en begrepen hebben van de eeuwige Waarheid, die Christus Jezus heeft geopenbaard en gedemonstreerd. God moet voor Henoch heel werkelijk geweest zijn. In Wetenschap en Gezondheid schrijft Mrs. Eddy (blz. 214): “Indien de waarneming van Henoch beperkt was gebleven tot hetgeen zich aan zijn stoffelijke zinnen voordeed, had hij nooit kunnen “wandelen met God”, of geleid kunnen worden tot de demonstratie van het eeuwige leven.” Hij moet een wonder-diep bewustzijn gehad hebben van de goddelijke tegenwoordigheid, een bewustzijn, dat in zijn innig gemeenschap oefenen met de Vader, nabij kwam aan dat van Jezus. De mensheid heeft meer van dit heilig begrip van de nabijheid en bereikbaarheid van de Vader nodig, meer van het toenemend bewustzijn, dat zij zich te allen tijde tot Hem wenden kan.

Geen opmerkingen: