zondag 25 september 2011

Kracht


Paulus heeft tijdens zijn loopbaan de nadruk gelegd op de noodzakelijkheid van genade, geloof, vrede en macht. In het twaalfde hoofdstuk in zijn zendbrief aan de Romeinen vinden wij dringende vermaning tot het beoefenen van Christelijke deugden. In dit hoofdstuk vinden wij een reeks bepaalde eigenschappen, die een Christen wel en ondeugden die je niet moet beoefenen. Onze liefde moet oprecht zijn, “ongeveinsd”. Wij moeten geven aan hen die in nood zijn. Misschien zijn er enkelen onder ons die zeggen: “Ik heb nauwelijks genoeg voor mijn eigen behoeften,” of “Ik heb geen thuis, waar ik gasten kan ontvangen.” Wanneer wij ons van het menselijk denken tot het geestelijk denken keren, vinden wij antwoord: “Geef uw Christelijk denken aan hen, die dit nodig hebben en open gastvrij uw gedachten om meer genade, geloof, vrede en macht te ontvangen.” Met de verandering in ons denken komt een verbetering in onze omstandigheden en wanneer deze zich niet openbaart, heeft ons denken misschien nog meer vernieuwing nodig.
De grondslag van Paulus’ werk was de macht van God. Hij spreekt van “de kracht die in ons werkt.” Zijn erkennen van de éne macht, God, gaf hem gezag in zijn onderricht en genezingswerk.  In Miscellaneous Writings (blz. 200) heeft Mrs. Eddy dit in de volgende woorden gezegd: “De heilige rust van Paulus’ welbeproefde hoop ontmoette geen hinderpaal of omstandigheid, te zwaar om overwonnen te worden door een intelligent geloof in de almacht van het goede, die besloten ligt in het goddelijk Beginsel daarvan, in God.”
Wij moeten waakzaam zijn in moeilijke omstandigheden, “volhardend in gebed”. Een gebed waarin geen twijfel schuilt of God al Zijn goede eigenschappen altijd aan Zijn kinderen geven zal, maar in een gebed, waarin beseft wordt, dat zij door weerspiegeling reeds ons eigendom zijn.

Geen opmerkingen: