donderdag 28 juli 2011

Woonplaats

Met rustige onbevangenheid kon Christus Jezus tot zijn discipelen zeggen: “de Zoon des mensen heeft niets, waar Hij het hoofd zal neerleggen,” omdat hij wist, waar zijn werkelijke en blijvende woning was. Zijn aardse omgeving, zijn komen en gaan door stad en dorp, door de woestijn en aan de oevers van de zee en het meer, boden hem telkens weer de gelegenheid zijn discipelen en allen die tot hem kwamen te bewijzen, waar ’s mensen werkelijke woonplaats te vinden is: in het huis des Vaders.
Zo is hij die geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen, die steden en dorpen doortrok en daar soms welkom geheten en gezocht, soms gehaat en uitgeworpen werd, die eens op een oorkussen in een open boot sliep, terwijl de storm rondom hem raasde, die een hele nacht op de berg verbleef om tot God te bidden, altijd in die schuilplaats geweest, waarvan David sprak: gezeten “onder de schaduw van de Almachtige”. “Het ware en bewuste wezen van Jezus,” schrijft Mrs. Eddy  op blz. 36 van ‘Neen en Ja’, “verliet nooit de hemel voor de aarde. Het verbleef voorimmer in den hoge, zelfs terwijl stervelingen geloofden, dat het hier was.”
Zoals David verklaarde en Jezus wist, wordt onze woning in stand gehouden door het bewustzijn van ‘s mensen verwantschap met God.

Geen opmerkingen: